Waddenzee - Afsluitdijk - IJsselmeer
Waddenzee

De Waddenzee is een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Duitsland, Denemarken en Nederland en door de Afsluitdijk met daarachter het IJsselmeer.
De Waddenzee wordt gekenmerkt door tijdens eb droogvallende zandplaten, met diepere geulen en met aan de kust kwelders. Aan de Duitse kant monden de Eems, de Weser en de Elbe uit in de Waddenzee. Het IJsselmeer is effectief de uitstroom van het water uit de IJssel en andere rivieren die hierop afwateren.
Het Nederlandse deel van de Waddenzee is grotendeels een beschermd natuurmonument en is door de Unesco aangewezen als Biosfeerreservaat. Ook het Duitse deel van de Waddenzee is een bioreservaat. De Duinen van Texel en Schiermonnikoog zijn Nederlandse Nationale parken.
Op een in november 2005 gehouden internationale Waddenconferentie is besloten om het Nederlandse en het Duitse deel aan te melden voor de lijst van Werelderfgoed. Het Deense deel zou dan later kun- nen volgen.
Een gebied wordt geen biosfeerreservaat als het belang van dat gebied niet zeer hoog is. De Waddenzee fungeert als kraamkamer voor veel organismen. Zeehonden krijgen hun jongen aan de kust. Vis zet zijn kuit af in het ondiepe water. Vogels foerageren op de wormen en schelpdieren als voorbereiding op de trek naar Afrika.
Ooit was de Waddenzee vol zeegras: in 1932 was het oppervlak meer dan 150 km². De zeegrasvelden zijn nu grotendeels verdwenen. Nu er tekenen van herstel zijn, wordt zeegras uitgezaaid in de hoop dat dit biotoop met de daarbij horende organismen zich kan herstellen.
De grootste bedreiging bestaat uit de grote hoeveelheden meststoffen die in de Waddenzee terechtkomen. Hierdoor komt een enorme algenbloei tot stand die leidt tot zogenaamde "zwarte plekken". Dit verschijnsel wordt ook wel hypoxie genoemd; de vermindering van het zuurstofgehalte waardoor organismen sterven. Daarnaast is er het risico van vervuiling door lozingen vanaf schepen en het stranden van schepen.
Op 25 oktober vloog het vrachtschip Pallas in brand en sloeg lek op de Duitse waddenzee, ter hoogte van het eiland Amrum. Het schip was geladen met hout en olie. In totaal stroomde zo'n 40.000 liter olie in zee waardoor tienduizenden vogels besmeurd raakten. Zeker 30.000 eidereenden en zwarte zee-eenden verloren hierdoor het leven en ook tientallen zeehonden kwamen in nood. Hulp werd geboden door De Fugelpits in Anjum, Ecomare op Texel en de Zeehondencreche Pieterburen.
Op de Waddenzee wordt onder andere gevist op mosselen. Hierbij worden sleepnetten gebruikt die de bodem verstoren. Ook verdwijnt hierdoor de voedselbron voor eidereenden en scholeksters. Er zijn gebieden aangewezen waarin niet gevist mag worden. Het is echter opvallend hoe vaak er "vergissingen" gemaakt worden. Tot 2005 is er ook op grote schaal op kokkels gevist in het Nederlandse deel van de Waddenzee. Met grote zuigpijpen werden de schelpdieren uit de bodem gezeefd. Met name deze vorm van visserij heeft heel veel schade aangericht. De mechanisch kokkelvisserij is inmiddels verboden, na een jarenlange strijd van de natuur- en milieubeweging.
Een andere vorm van exploitatie is het toerisme. De eilanden trekken vele gasten, er vindt veel watersport plaats op het Wad en vanuit diverse plaatsen kan men wadlopen. Dit leidt regelmatig tot verstoring van de overal aanwezige dieren. Aan de andere kant draagt de recreatie in het gebied bij aan de bewustwording van het belang van het Wad.
Scheepvaart en de Waddenzee gaan al eeuwen samen. Voordat het Noordzeekanaal gegraven werd, was de enige manier om Amsterdam - en andere belangrijke Nederlandse havens - vanaf de Noordzee te bereiken via de Waddenzee en de Zuiderzee. Diepgaande schepen konden niet met hun lading op de ondiepe Zuiderzee varen en gingen bij Texel of Vlieland voor anker. Het bevaren van de Waddenzee was in die tijd moeilijk, door de steeds verplaatsende geulen en banken en de spaarzame bebakening. Menig schip verging. Voor duikverenigingen levert dit vandaag veel interessante plekken op.
Voor het ondiepe water van de Waddenzee en de Zuiderzee zijn aparte scheepstypen ontwikkeld, met platte bodems en zijzwaarden ontstaan.
Vandaag wordt de Waddenzee bevaren door veerboten naar de Waddeneilanden, de visserij, de pleziervaart en traditionele vrachtvaarders als klippers, tjalken, aken enz, die al zeilend over deze zee varen.
Bekende havens zijn Oudeschild, Harlingen, Oost-Vlieland, West-Terschelling, Nes, Schiermonnikoog, Lauwersoog en Noordpolderzijl.
Afsluitdijk
In mei 1932 werd het laatste gat in de Afsluitdijk gedicht. De bedenker van dit spectaculaire waterproject, Cornelis Lely, werkte tientallen jaren aan het project. Als pas afgestudeerd ingenieur was Cornelis Lely in 1891 verantwoordelijk voor het plan de zoute Zuiderzee af te sluiten en gedeeltelijk in te polderen. Als minister van Waterstaat loodste hij de plannen door het kabinet en als uitvoerder was hij verantwoordelijk voor de bouw. Drie jaar voor de voltooiing stierf hij. Cornelis Lely was niet de eerste die op het idee kwam de Zuiderzee af te sluiten. De eerste plannen dateerden al uit de 17-de eeuw. Toen de afsluiting uiteindelijk serieus werd overwogen, was de economische rol van de Zuiderzee al uitgespeeld.
Alleen vissers en binnenschippers bevoeren haar nog. Maar waarom moest deze zee een zoet binnenmeer worden, waar zelfs voor de vissers niets meer te halen viel? De kustbewoners konden wel een reden hiervoor bedenken als hun huizen weer eens onderliepen, wat een paar keer per jaar gebeurde. Bij echte stormvloed, zoals in 1916, verdween zelfs het eiland Marken tijdelijk onder de golven.
Iedereen was het erover eens dat dit soort rampen nooit meer mochten gebeuren. Cornelis Lely kreeg groen licht voor zijn plannen. Want de bouw van een dijk van 32 kilometer was veel goedkoper dan het ophogen van de gehele kustlijn.
Bovendien kon bij een afsluiting een deel van het IJsselmeer worden drooggelegd. Tijdens de crisisjaren was de de voedselschaarste groot. Extra landbouwgrond was welkom. Dat het zoete water de vissers brodeloos maakte, werd op de koop toe genomen.

IJsselmeer
Om 13.02 uur op 28 mei 1932 gilden stoomfluiten en sirenes en werd de vlag gehesen; de Zuiderzee was niet meer, het laatste stroomgat - de Vlieter - werd gesloten. De dijk was dicht en het IJsselmeer was geboren. Het is het grootste meer van Nederland; heeft een oppervlakte van 1.100 km². Het diepste punt, de val van Urk, bevindt zich bij Urk - 5,5 meter beneden NAP -.
Het meer wordt gevoed door: de Rijn, via de Utrechtse Vecht, de IJssel, de Overijsselse Vecht, de Eem, de Hierdense Beek en de Amstel. Het water wordt naar de Waddenzee geloosd door twee spuicomplexen, één bij Den Oever - provincie Noord-Holland - en één bij Kornwerderzand - provincie Friesland -. Dat spuien gebeurt bij eb, dan staat het water in de Waddenzee lager dan in het IJsselmeer.
Een andere functie is om de omliggende gebieden te voorzien van zoet water; zo wordt bij Lemmer water ingelaten, om Friesland en Groningen te voorzien van zoet water. Ook wordt water gebruikt voor de drinkwatervoorziening zoals bij Andijk

De verwachting is dat als gevolg van de klimaatsveranderingen de hoeveelheid water die naar de Waddenzee geloosd moet kunnen worden moet verdubbelen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het water in de Waddenzee 25 cm hoger wordt ten opzichte van het IJsselmeer. Nu is het doel om de spuicapaciteit te verdubbelen en tevens de ecologische samenhang van het IJsselmeer en de Waddenzee te verbeteren.
Het IJsselmeer wordt begrensd door de Afsluitdijk, de Friese kust tussen grofweg Makkum en Lemmer, de westelijke dijk van de Noordoostpolder, de Ketelbrug, de noordwestelijke dijk van Oostelijk Flevoland, de Houtribsluizen, de dijk Lelystad-Enkhuizen en de Noordhollandse kust van Enkhuizen naar Den Oever aan de Afsluitdijk. Door de inpoldering maakt het vroegere Flevomeer geen deel uit van het IJsselmeer.