

I.O.C
|
De
Fransman Pierre de Coubertin, de stichter van de moderne
Olympische Spelen, zag heel weinig in aparte Winterspelen. De wintersportlanden bij uitstek, van die tijd
Noorwegen en Zweden, waren er zelfs lange tijd fel tegen
gekant dat ze er zouden komen. Zweden hield al sinds
1901 om de vier jaar 'Noordse Spelen' en vreesde dat die
in het gedrang zouden raken als er Olympische
Winterspelen kwamen. De Noren wilden er ook niet van
weten, want zij hadden zelf de grote Holmenkollen
wedstrij- den.
Toch werd in 1908 te Londen de eerste gouden medaille in
een discipline van de wintersport uitge- reikt. Natuurlijk was deze tak van sport een onderdeel van de
Zomerspelen. Die gouden medaille ging naar de Zweed
Ulrich Salchow voor zijn eerste plaats in het
kunstrijden op de schaats, een discipline waarin hij al
tien keer wereldkampioen was geworden. Ondanks dit
Zweedse succes werd het schaat- sen van het Olympische
programma van 1912 te Stockholm afgevoerd. Op de Spelen
van Antwerpen in 1920 werd er een ijshockeytoernooi
georganiseerd. Deze wedstrijden oogsten een enorm
succes, en zoals verwacht ging de zege naar de
Canadezen, die niet eens hun nationale ploeg hadden afge-
vaardigd.
Uiteindelijk werd dan op een vergadering van het
Internationaal Olympisch Comité (IOC) in 1921 be- sloten
een Frans-Canadees voorstel aan te nemen. In 1924 zou er
een 'wintersportweek' worden ge- houden onder de auspiciën
van het IOC, en deze zouden plaatsvinden te Chamonix.
Pas een jaar later toen bleek dat deze wintersportweek
een groot succes was geworden en kreeg ze het predikaat
van 'Olympische Winterspelen' toegekend. Voorts werd
toen ook bepaald dat het land dat de Zomerspelen kreeg
toegewezen ook de Winterspelen mocht organiseren als dat
klimatologisch mogelijk was. Die bepaling liet het IOC
na de Tweede Wereldoorlog varen. |
|

1924
|

1928
|

1932 |

1936 |

1940/1944
|

1948 |
1952 |
1956 |

1960
|
1964 |

1968
|
1972 |

1976
|
1980 |
1984 |

1988 |

1992
|
1994 |

1998 |
2002 |

2006
|

2010 |
2014
|
2018 |
|